In 2008 werd het decreet Lokale diensteneconomie in het leven geroepen om de duurzaamheid te bewerkstelligen.
Vanuit dit decreet en door middel van klaverblad-
financiering konden bestaande en nieuwe initiatieven zich ontwikkelen.
De financiering gebeurt uit volgende klaverbladen:
- de Vlaamse overheid geeft vanuit het beleidsdomein sociale economie een tussenkomst voor de begeleiding van de werknemers en de participatieve manier van werken;
- de Federale overheid komt tussen voor rendementsverlies;
- de dienstverlenende overheid (OCMW, Stad, …);
- de klant;
- tenslotte wordt er een bijdrage verwacht vanuit de belendende sectoren en beleidsdomeinen.
Dit klaverbladmodel is een dynamisch gegeven en wordt naar gelang de aard van de dienstverlening anders ingevuld.
De aanvragen gebeuren via de Minister van Sociale Economie.
Het decreet is gebaseerd op drie pijlers die komen vanuit buurtdiensten.
Lokale diensteneconomie wil een koppeling maken van de lokale noden aan lokale werkgelegenheid voor mensen die moeilijk hun weg vinden naar de arbeidsmarkt. Dit gebeurt aan de hand van individuele en collectieve dienstverlening. Voor personen uit de kansengroepen wordt er duurzame tewerkstelling gecreëerd. De werknemers krijgen een intensieve begeleiding om de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren. De dienstverlening moet aanvullend en toegankelijk zijn om niet in concurrentie te treden met bestaande diensten.
De derde pijler is aandacht geven aan participatie dit zowel van de werknemers, klanten als buurtbewoners. Deze vorm van participatie maakt lokale diensteneconomie uniek.